Terug naar Amsterdam | Blog van Sabine van den Berg

Terwijl steeds meer mensen klagen dat Amsterdam onleefbaar wordt en de stad verlaten, keert schrijver en tekenaar Sabine van den Berg na een zestienjarig verblijf in het Noorden juist weer terug. Wekelijks schrijft en tekent ze over deze terugkeer naar de hoofdstad.


1 – Rust

2004

Als ik binnenkom, struikel ik over een driewieler. Nog even en ik ga bijten uit ruimtegebrek.

Met twee jonge kinderen voelt onze Amsterdamse benedenwoning steeds benauwder. Tijdens fietstochten langs Holysloot en Durgerdam zwijmelen we weg bij sfeervolle huizen. Maar dat zit er voor ons als freelancers niet in. Ook voor nieuwbouw op IJburg zullen we ons halfdood moeten werken. Dat willen we niet. Ons ideaal is om te schrijven, niet alleen in opdracht, ook voor onszelf.

Maar nu puilen we ons huis uit en willen we ons weer vrij voelen. Daarom gaan wij doen waar anderen alleen van dromen: we beginnen aan een groot, onvoorspelbaar avontuur en strijken neer in een rijksmonument, met bedsteden, op het Friese platteland.

2020

We leven alweer een paar jaar in een kunstenaarsgemeenschap in Haren. Toch verlang ik naar Amsterdam. Oude vrienden waarschuwen me voor Venetiaanse toestanden: ‘De stad is veranderd. Je weet niet waaraan je begint!’

Toch verhuizen we naar een woongroep op het Realeneiland. Onze buurt is doodstil. Maar dat komt natuurlijk door corona.

Vaak denk ik aan Zondagsgeld van Philip Snijder, het verhaal speelt midden jaren zestig in dezelfde buurt. Voor een feest verlaat de hoofdpersoon bij hoge uitzondering het Bickerseiland. Hij loopt in een familiestoet rechtdoor de Grote Bickersstraat uit tot aan de Willemsstraat. Op het eiland roepen de omes en tantes nog geintjes naar elkaar, maar nadat ze onder het tunneltje van het spoor zijn gedoken, vallen ze stil. Ze zijn te gast in een andere wijk en dat merk je aan hun gedrag.

Als wij dezelfde wandeling maken, komen we niet verder dan café De Oranjerie in de Binnen Oranjestraat.

‘Het straatbeeld is uniformer; hanenkammen, de skatende billenman en Fabiola zijn verdwenen. De stad is veel chiquer dan toen we vertrokken,’ zeg ik tegen de eigenaar.

‘Ja, ’t is aangeharkt voor de toeristen.’

Ik vertel dat wij op het Realeneiland wonen.

‘O, daar zit je goed,’ antwoordt de kroegbaas. Dan horen we de verklaring voor onze rust: ‘Toeristen komen niet verder dan de Haarlemmerdijk. Onder het spoor door durven ze niet.’


2 – East of Eden

Amsterdam 2000

Een slechter moment om langs te komen had ik niet kunnen bedenken. Eind van de middag en Thé Lau is net wakker. De rocker is geen ochtendmens.

Marijke, zijn vrouw, komt tegelijk met mij binnen. Ze tilt twee volle boodschappentassen. Met een geopende mond van ontzetting, laat ze de tassen vallen en loopt door. Bovenaan een metalen trap die hun diepe tuin in loopt, blijft ze staan.

‘Thé, waarom heb je dit toegelaten?’

Ik volg haar blik. De stammen van de twee druivenranken die van onderaan de trap tot aan de achterdeur omhoog slingeren zijn omgezaagd. Iemand heeft alle bomen, struiken en klimplanten weggehakt. Wat rest is een kale plaats met groengrijze stoeptegels, afgebakend door een muur met betonnen palen. Getuige de grote hopen kleurig snoeiafval was er eerst een bloemenzee.

‘Wat is er precies gebeurd?’ vraag ik voorzichtig.

‘Een vriend zou me helpen met het tuinhuis,’ zucht Thé. ‘Hij vroeg of hij wat takken mocht wegknippen om er bij te kunnen.’ Hij laat zijn hoofd hangen en kijkt van onder zijn wenkbrauwen naar Marijke zoals sommige honden kunnen kijken als ze echt iets hebben verknald.

‘Ja, je vertelt er niet bij dat je hem kent uit de kroeg. Die vent heeft zijn eigen tuin geasfalteerd, zit daar met een krat pils en is er nog beretrots op ook. Hij zou alleen de deur van het tuinhuis vervangen. Hoe kan dit?’

‘Ik sliep nog. Ik heb hem binnen gelaten en ben weer in slaap gevallen. Toen ik wakker werd, was hij klaar. Hij had de tuin ook even aangepakt, zei hij.’ Thé krabt op zijn achterhoofd. ‘Sorry.’

Amsterdam 2020

We zitten op een schommelbank in haar inmiddels weer overvloedig begroeide tuin. Marijke organiseert twee evenementen. Eentje in Paradiso en eentje in een tweeling-poptempel in Brussel. Bevriende zangers zingen Thé’s teksten en ook is er aandacht voor zijn literaire werk. Schrijvers en BNers dragen fragmenten voor uit zijn boeken. Eind juni is het vijf jaar geleden dat Thé overleed.

‘Maar toen kwam Corona.’ Ze staat op, rommelt achter mijn rug en houdt me een dik boek voor. ‘Dit moet je lezen: Ten Oosten van Eden van John Steinbeck. Ik ga koken, begin er maar vast in.’

Ik sla het boek ergens open en lees over Adam Trask die een ranch koopt in de Californische Salinasvallei. Adam mijmert over weides vol tarwe en groene luzerne en legt een lusthof met rozen aan voor zijn vrouw. Van de achterflap weet ik al dat zijn Eden zal worden verwoest. Ik blader door en lees de laatste zin. Peter Bergsma draagt zijn vertaling op aan zijn levenslange vriend Thé Lau, die net zo’n groot East of Eden-fan was als hijzelf.

Een droef en zoet gevoel overspoelt me. Ik krijg een vreemde gewaarwording. Door de bloemenweelde om mij heen is het ineens twintig jaar geleden, een dag voordat de kroegvriend toeslaat. Even ben ik er van overtuigd dat Thé nog ligt bij te komen van een optreden. Ik hoor Marijke neuriën, ze brengt hem een bordje op bed en terwijl wij zo meteen proosten op onze vriendschap, zal Thé langzaam ontwaken.


3 – Zwervers

Amsterdam 1999

Soms tuimelt er iemand de gang in, als ik ’s morgens met de kinderwagen naar buiten ga. Of ik moet een slaper in onze portiek vragen of wij er even langs mogen. 

Dan belt er weer iemand aan, een graatmagere, tandeloze man. Hij houdt me een leeg jampotje voor, op een wit etiket staat met hanenpoten geschreven: ‘Aidsfonds’.

‘Wat een lief babietje’, zeggen twee zwervers die zich over de kinderwagen buigen. Met een hand waarmee hij in de aarde lijkt te hebben gewroet, knijpt een van hen mijn zoontje in zijn wang. Een drankkegel verspreidt zich boven de wagen. Wanneer ze doorlopen en me naroepen dat ik blij mag zijn met zo’n mooi kind, moet ik huilen.

Sexbierum 2009

Geen zwerver te bekennen in het christelijke dorp waar we wonen. Tot nu, rond de kerstdagen. Voor de plaatselijke Coop zit een schriel mannetje in de sneeuw op een klapstoel. Ik luister naar zijn accordeonspel. Dat is niet erg indrukwekkend, maar wat wil je ook met die verkleumde vingers. Zijn ogen zijn groot en treurig, toch springen er kraaienpootjes tevoorschijn als ik vraag of hij iets warms wil drinken. ‘Coffee, please.’

Thuis haal ik een thermoskan koffie. Ik wijs naar mijn huis en vraag of hij de kan terug wil brengen als hij klaar is.

Uren later gaat de deurbel. Ik nodig het verkleumde meneertje uit binnen te komen, maar hij schudt schichtig van nee. Hij wordt zo opgehaald met een busje. Zijn baas, de chauffeur, is streng, die wacht niet. Dan neemt hij met een buiging afscheid. Hij zal niet meer terugkomen. De eigenaar van de supermarkt heeft hem weggestuurd en gedreigd met de politie.

Amsterdam 2020

‘Geen cash? Geen stress! Dat zeg ik altijd als mensen geen contanten bij zich hebben. Volgende keer beter.’ De daklozenkrantverkoper lacht geruststellend vanuit zijn elektrische rolstoel. ‘Binnenkort kun je bij mij pinnen. Ik spaar voor een telefoon waarmee dat kan.’

Maarten, mijn man, vindt toch nog een paar losse euro’s. De verkoper maakt een rondedansje met zijn rolstoel. We mogen een krant uit de tas pakken die achterop hangt.

‘Ik ben verkoper van het jaar is geweest,’ vertelt hij trots. ‘Ik won een reisje naar Spanje en kreeg nog zakgeld toe ook.’ Dan groet hij ons beleefd en rijdt weg.

We lopen vanuit de Westerstraat terug naar huis. Onderweg komen we langs de brug bij de Eenhoornsluis op de Haarlemmerstraat. Rijk gevulde plantenbakken hangen aan de leuning, alles in bloei.

Er hangt een bordje bij: ‘Buurtinitiatief. De dak- en thuislozen van het Koffiehuis van de Volksbond onderhouden deze plantenbakken. Samen zorgen we voor een groener en gezonder leefklimaat in deze drukke straat.’


4 – Tante Rie

Amsterdam 2002

Mijn zoontje Beer van twee maanden huilt aan een stuk door. Ik lig al een paar dagen ziek in bed en kan niet meer.

‘Wat is er met hem?’ vraagt Rie. Tante Rie is de reddende engel van mijn huishouden en niet alleen van het mijne, elke ochtend maakt ze ergens anders schoon. Thuis schildert ze de ene van Gogh na de andere en fabriceert ze alle mogelijke soorten jam. Rie is 77.

‘Misschien heb ik hem aangestoken.’

Tante Rie buigt zich over de wieg. Haar gezicht is bezorgd. ‘Niet weer, hè. Nee, niet weer.’

Ze pakt mijn kind uit de wieg. ‘Dit is niet goed,’ zegt ze. ‘Kijk, hij steigert.’ Ze laat zien hoe mijn baby zijn ruggetje hol trekt. Ze snift een paar keer. ‘Ik heb een zoon verloren aan wiegendood. Dit wil ik niet nog es meemaken. De dokter moet komen. Nù bellen!’

Een uur later zitten we in het ziekenhuis, Beer heeft hersenvliesontsteking.

Amsterdam 2020

Het eerste wat ze vraagt is: ‘Hoe is het met die kleine? Beer heette hij toch?’

‘Ja, en hij doet zijn naam eer aan. Hij is nu achttien en een beer van een vent.’

‘Mooi zo!’ zegt ze tevreden. ‘Mijn jongste achterkleinzoon is ook net achttien geworden.’

We zitten op een terras aan de Spaarndammerstraat. Mijn oude hulp – ze is nu 95 – is nauwelijks veranderd. Haar stem en lach zijn nog precies hetzelfde.

‘Achttien jaar, zo lang geleden alweer. Ik zie hem nog in z’n wiegje liggen. Wat doet ie nu?’

‘Hij is net klaar met z’n middelbare school en gaat hier in de stad kunstmatige intelligentie studeren.’

‘Met z’n hoofd is dus niks mis. Of is ie kunstmatig intelligent?’ Ze lacht ondeugend. ‘Kunstmatige intelligentie. Ik weet wel wat dat is. Dat is met robots en technologie.’ Tante Rie grabbelt in haar jasje en haalt een smartphone tevoorschijn. ‘Ik heb thuis ook een tablet,’ zegt ze trots. ‘Ik kreeg een oude van mijn zoon. Toen die kapot ging, heb ik zelf een nieuwe gekocht.’

‘Ik zal je een paar foto’s van de jongens sturen. Heb je een mailadres?’ vraag ik.

‘Ja, wacht effe.’ Ze pakt een bloknootje en een pen. ‘Hier, schrijf maar op: Zwabber, schilderij en potje jam.’

Ik schiet in de lach en wacht op het apenstaartje, maar dat komt niet. ‘Is dat je mailadres?’

‘Ja, ik geloof van wel. Daarmee kan ik die tablet in. Dat hebben mijn kinderen verzonnen.’


5 – Fietsenmaker

Amsterdam 2003

Van buiten lijkt de rijwielhandel op een loods of garage, de etalage mist. Bij binnenkomst klinkt een keiharde zoemer. Ik kijk naar de paar fietsen die er staan. Tweedehands, maar keurig gespoten. Mijn oog valt op een stevig exemplaar dat vast niet zwabbert wanneer ik voor- en achterop een kind in een fietsstoeltje vervoer.

Het duurt enige tijd voor de fietsenmaker, een slungelige man met lang haar, tevoorschijn komt.

Ik maak een proefritje. De fietsenmaker rookt ondertussen een sjekkie en kijkt hoe ik de straat op en neer rijd.

Enthousiast vertelt hij daarna over de fietsverzekering: als je fiets wordt gestolen, krijg je een nieuwe. Ik vul mijn adres in op het formulier en kom thuis met een mooie fiets, een kettingslot en een fietsverzekering.

Nog geen twee dagen later is mijn fiets spoorloos verdwenen. Natuurlijk ga ik met mijn paperassen naar dezelfde winkel en kies een nieuwe fiets uit. De verzekering betaalt. Een week later is het weer raak. Ik vraag aan mijn buren of hun fietsen ook zo vaak worden gepikt. Ze hebben nergens last van.

Niet veel later lees ik in het buurtkrantje dat er een grote hennepkwekerij is opgerold. De zaak bleek een dekmantel. Zou het kunnen dat de eigenaar er ook nog een lucratieve handel in verzekerde fietsen op na hield die hij ’s nachts bij zijn klanten terughaalde?

Sexbierum 2006

Met de grote afstanden op het platteland, overgeleverd aan de elementen, doe je een moord voor een goed onderhouden fiets. De dichtstbijzijnde rijwielhandel zit 8 km verderop. In het dorp woont een oude baas die vroeger een fietsenzaak bestierde. Zijn winkel is al decennia gesloten, maar zijn etalage is nog intact. De handgeschreven getallen op de verschoten prijskaartjes zijn nauwelijks nog leesbaar. Voor een paar euro helpt deze man je in zijn werkplaats achter zijn huis. Als hij tenminste puf heeft.

Een keer zit ik in nood – ik heb een klapband gehad, de flarden hangen erbij – en klop aan de achterdeur. Ik hoor hem roepen. Ik stap het schemerige huisje in, van binnen lijkt het wel een voorbeeldwoning uit het Zuiderzeemuseum. Ik vind de oude fietsenmaker ziek in een bedstee. Op een potkachel borrelt een pannetje soep. Of ik die even voor hem kan opscheppen.

Amsterdam 2020

Eind november. Ik ben onderweg naar de schoenmaker op de Haarlemmerdijk en draag twee herenschoenen in een hand. Bij de ingang van Marcel Tweewielers in de Grote Bickersstraat blijf ik staan. Bij deze zaak heb ik een nieuwe fiets in bestelling, een voor mij buitensporige aanschaf waar ik van de zenuwen al een paar keer over ben komen praten. De eigenaars Marcel en Nancy kennen me nu.

Nancy kijkt op: ‘Hé, kom je je schoenen brengen?’

‘Je nieuwe fiets is pas in januari klaar,’ roept Marcel vanuit de werkplaats.

‘Nou, dan ga ik maar door naar de schoenmaker.’ Ik houd de schoenen omhoog.

‘Nee, joh.’ Nancy wijst in de richting van het Haarlemmerplein. ‘Je moet ze bij Albert Heijn neerzetten, dan krijg je er een cadeautje in.’


6 – Hannan

Amsterdam 2002

Op de dagen dat mijn kinderen op de crèche zijn, komt Hannan direct vanuit school naar ons toe, op de andere dagen trouwens ook. Maar op de crèchedagen heeft ze een verantwoordelijke taak. Hannan is ons buurmeisje en ze is twaalf jaar. Ze woont drie hoog en is de jongste uit een gezin met vijf kinderen.

Drie jaar geleden toen Mees net was geboren kwam ze naast me op de stoep lopen. Ze boog zich over de kinderwagen en vroeg of ze mijn baby eens een flesje mocht geven. Sindsdien zien we haar bijna elke dag. Mees en Hannan spelen eindeloos samen. Vooral ‘politietje’, waarbij ze alle knuffels arresteren en samen allerlei fictief onrecht oplossen.

Nu rijdt ze mij in mijn rolstoel naar het kinderdagverblijf een paar straten verderop. Hannan weet de cijfercode om binnen te komen en onthoudt hem ook, zelfs al verandert hij elke week. Ik wacht voor de deur en zie door het raam hoe ze ‘Moppie’ aanspreekt. Sinds het hoofd van het kinderdagverblijf mijn zoontje een keer ‘Moppie’ heeft genoemd, is ze zelf ook zo gaan heten.

Even later komt Hannan met Mees aan een hand naar buiten. Achter hen loopt Moppie met Beer in haar armen. Ik krijg mijn baby op schoot. Mees gaat achterop de rolstoel staan en Hannan rijdt ons terug naar huis.

Amsterdam 2020

‘Hé, Hannan. Het is zover, we wonen weer in Amsterdam.’ Op de dag van onze verhuizing bel ik haar. Afscheid nemen van Hannan was het allermoeilijkste geweest toen we zestien jaar geleden naar Friesland verkasten.

‘Ein-de-lijk! Wat heb ik daar lang op gewacht.’

Een uur later staat er een plantje in het trappenhuis en een doos bonbons. Hannan is geweest, maar ik was net even weg. We zijn geen buren meer, maar we wonen wel weer bij elkaar in de buurt. Hannan is nu even oud als ik toen ik Mees kreeg. Inmiddels is ze getrouwd en in verwachting van haar eerste kind.

Een week na de verhuizing spreken we af op een terras in de nieuwe wijk bij de Houthavens. Hannan bestelt muntthee. De jongen die ons bedient, wil al weglopen, maar Hannan houdt hem staande.

‘Wil je de munt alsjeblieft heel goed wassen?’

De jongen knikt en draait zich opnieuw om.

‘Ik bedoel, echt goed,’ zegt ze stellig en ze kijkt hem streng aan met haar grote, bruine ogen. ‘Wij wassen die takken zelf altijd extra lang omdat er vaak beestjes inzitten. Ik wil geen risico lopen nu ik zwanger ben.’

De jongen knippert met zijn ogen. ‘Natuurlijk.’

Wat een zelfbewuste vrouw is ze geworden! Ik ben onder de indruk en zeg: ‘Hannan, ik vind het zo fijn dat ik jou nu weer meemaak.’

‘Dus je bent blij dat je in Amsterdam woont?’

‘Ja.’ Ik knik opgetogen, maar ik zie dat haar strenge bui nog niet over is, al krullen haar mondhoeken al wel omhoog.

‘Nou, ik hoop dat je het nu kunt waarderen. Straks kom je misschien nog op het idee om naar Limburg of Zeeland te vertrekken. Ik moet je eigenlijk een contract laten tekenen dat jullie nooit meer gaan verhuizen.’