Terug naar Amsterdam | Blog van Sabine van den Berg

Terwijl steeds meer mensen klagen dat Amsterdam onleefbaar wordt en de stad verlaten, keert schrijver en tekenaar Sabine van den Berg na een zestienjarig verblijf in het Noorden juist weer terug. Wekelijks schrijft en tekent ze over deze terugkeer naar de hoofdstad.


10 – Opa Hans

Amsterdam 2001

Met mijn elleboog druk ik de deurklink omlaag. In mijn handen heb ik een dienblad met koffie, verse jus d’orange, warme broodjes en croissants. Achter de deur, op de grond, ligt een twijfelaar met daarop mijn moeder en Hans. Ze hebben kussens in hun rug en zitten tegen de muur. Mijn moeder leunt met haar wang tegen Hans’ ontblote borst en gluurt ondeugend naar me. Hans heeft zijn arm om haar heengeslagen en kijkt verrast op. Langs mijn benen glipt mijn zoontje Mees naar binnen. Hij dribbelt voor mij uit en ploft bij ze in bed.

De avond ervoor hebben mijn moeder en Hans door de grachten gevaren en aan boord van een theaterboot gedineerd. Dat was een cadeau van mijn man en mij voor mijn moeders verjaardag. Sinds kort heeft ze Hans. Ze is daarvoor zestien jaar alleen geweest. Voor het eerst in mijn leven maak ik haar verliefd mee.

Amsterdam 2020

De avond ervoor zijn er twee acrobaten naar beneden gevallen, daarom is het nog even onzeker of ons feestje in Carré wel zal doorgaan. Hans en mijn moeder schuifelen over de rode loper naar binnen. Het personeel draagt ouderwetse uniformen en ik moet aan Abeltje denken van Annie M.G. Schmidt, het liftjongetje in zijn rode pak met gouden knopen en rode hoedje op. Mijn stiefvader is negentig geworden en hij wil dat nu met mijn moeder, haar drie kinderen, hun partners en haar zes kleinzoons vieren.

De act van de neergestorte acrobaten is vervangen: in een gouden pak en met een goud beschilderde huid hangt een man ondersteboven, tussen zijn tanden heeft hij een mondstuk waaraan een metalen hoepel hangt en aan die hoepel vertoont de eveneens gouden vrouw acrobatische kunsten. Naar verluidt is het de avond ervoor misgegaan omdat er een tand afbrak. De collega’s van het gouden koppel liggen nu ergens in een Amsterdams ziekenhuis. De wetenschap dat ook deze twee nieuwe acrobaten te pletter kunnen vallen, geeft een extra lading. De zes neefjes kijken zonder knipperen naar de nok van het circustheater. Opa Hans heeft ze een bijzonder spannende avond cadeau gegeven.

Amsterdam 2021

Ik zet mijn fiets op slot op de Bloemgracht. Voordat ik naar binnenstap, kijk ik even in de etalage van het ouderwetse drukkerijtje. Er hangen slingers met kaarten voor het raam. Bijna 22 en bijna 19 jaar geleden heb ik hier de geboortekaartjes voor mijn zoons laten drukken. Ook naar eigen ontwerp. Nu kom ik de rouwkaart voor Hans ophalen. Dit keer is alles digitaal gegaan. Mijn schetsvoorstellen heb ik moeten inscannen en de zetproef kreeg ik per mail. Ik doe mijn mondkapje voor en duw de deur open. Ik word verwacht, alles staat klaar in papieren tasjes op de toonbank en ook nu weer is het drukwerk prachtig uitgevoerd.

Niet veel later vraag ik bij een postagentschap om rouwpostzegels of anders neutrale zegels. ‘Nee, die hebben we niet: alleen maar klompen, molens, hartjes en Willempies.’ Er volgen nog drie adressen en niemand kan me helpen. Uiteindelijk kom ik vlak voor sluitingstijd aan bij het Van Limburg Stirumplein. Mijn vingers doen pijn van de kou en ik heb onderweg gehuild. Trillerig stap ik naar binnen. Vroeger was dit een postkantoor met een open ruimte en bankjes langs de ramen, nu is het een Primera en staan er overal schappen met kantoorspullen. Als ik aan de beurt ben, herhaal ik mijn vraag voor de vijfde keer.

‘Ik hoop écht dat jij me kunt helpen, want ik ben al overal geweest.’

Het meisje kijkt me meelevend aan en antwoordt in plat-Amsterdams: ‘Wat rot voor u, ik zal es kijken. Ik heb wel wat, denk ik.’

Ze trekt laden open en ik wacht. Dan herinner ik me dat ik hier zo’n twintig jaar geleden ook voor een loket stond. Mees kon net staan en hield zich vast aan mijn broekspijp. Nadat ik was geholpen, zag ik mijn zoontje niet meer. Ik keek om me heen en daar, midden in de open ruimte, liep hij!

‘Mees, je kunt lopen!’ riep ik uit. Alle wachtende mensen op de banken en in de rijen, begonnen te klappen.

En weer veeg ik een traan weg.


9 – Samen sporten

Amsterdam 1997

Nu ik in de Elandsstraat woon, zijn Wladimir Dance Studios bij mij om de hoek op de Lijnbaansgracht. Maandenlang werken we aan één dans die we ten slotte perfect moeten uitvoeren – zonder juf – voor publiek. Wanneer de juf, als opmaat naar het optreden, vanaf de kant toekijkt en aanwijzingen roept, moet ik lang nadenken over links en rechts. Ik gok vaak verkeerd. Dat probleem had ik als kind al, om die reden werd ik vroeger achteraan gezet.

Elke groep presenteert één dans. Mijn jazzballetgroep danst op Prince en gelukkig sta ik nu niet achteraan. Vrienden van ons, Riccardo en Shanna, zijn de grootste Prince-fans die ik ken. Ik nodig ze uit voor het optreden bij Wladimir.

Op de avond zelf, haal ik helaas toch weer links en rechts door elkaar. En hoewel Riccardo en Shanna een staande ovatie geven, excuseer ik me na afloop bij de juf. Ze zegt dat mijn fouten niet opvallen.

‘Want jij hebt namelijk wel ‘the swing’.’ Ter illustratie draait ze met haar heupen.

Ik ben dolblij met haar compliment en blijf het zinnetje proevend prevelen, het klinkt zo lekker: ‘Ik heb namelijk wel the swing.’

Amsterdam 2021

Eindelijk, na jaren rugklachten, dans ik weer. Sinds ik zumba heb ontdekt, is mijn probleem met links en rechts opgelost. Zolang ik de instructeur maar volg, gaat het wél goed. Niet één dans, maar minstens tien verschillende achter elkaar.

Tijdens de eerste lockdown doet mijn man Maarten soms mee met de online lessen.

Het begint als grap. We maken een melig filmpje voor mijn vriendin Mireille die vijftig wordt. Als zogenaamde zumba-instructeurs geven wij haar een workshop cadeau.

Maar nu Maartens eigen BJJ-training alweer weken platligt, volgen we tijdens de tweede lockdown opnieuw samen zumbalessen via een betaalde livestream. En het grappige is, Mireille danst ook mee. Wij – haar zogenaamde favoriete instructeurs – in Amsterdam en zij in Castricum. Inmiddels kijken we alle drie uit naar de aanstekelijke vrolijkheid van de Venezolaanse Andy Ramos en haar muziek. Wij dansen in ons woonkeukentje en hebben de grootste lol. Af en toe knalt Maarten tegen de vuilnisbak of raak ik het aanrecht. We betrappen elkaar erop dat we de nummers neuriën buiten de lessen om.

Maarten heeft een mail gekregen van zijn trainer Braziliaans jiu jitsu. ‘Ik kan als tegemoetkoming een paar keer persoonlijk één op één les krijgen, op anderhalve meter afstand in een park,zegt hij.

‘Heb je daar wat aan?’ BJJ zonder fysiek contact is als droogzwemmen heb ik begrepen.

‘Ik mag een partner meenemen zodat ik daarmee – op aanwijzing van de trainer – wél echt kan sparren. Nu denk ik natuurlijk meteen aan jou.’

‘Aan mij!?’ Ik verslik me haast. ‘Dat ga ik dus écht niet doen.’

‘Niet piepen, ik verwacht dat jij meegaat.’ Maarten klinkt streng. ‘Ik heb interesse in jouw sport: zumba, dan mag jij die ook wel in de mijne hebben: BJJ. Dat is toch eerlijk? Kan ik eindelijk die submissies en verwurgingen eens goed oefenen op jou.’


8 – 1e Kastefelar

Amsterdam 2001

Ons zoontje Mees van twee is een onverbeterlijke blootloper. ’s Morgens hebben we de grootste moeite om hem netjes aangekleed bij de crèche af te leveren. Zodra hij weer thuis is, trekt hij direct zijn kleren uit. Maarten en ik werken allebei op de redactie van een tijdschrift, ons leven hangt aan elkaar van deadlines. In ons drukke huishouden bestellen we wekelijks telefonisch bij Pizzeria Paprika op het Hugo de Grootplein, vlakbij ons huis aan de Eerste Kostverlorenkade. Degene die opneemt klinkt eerder Marokkaans dan Italiaans, maar dat maakt niet uit: de pizza’s zijn heerlijk.

Een keer ben ik niet snel genoeg bij de voordeur en heeft Mees al opengedaan. De pizzabezorger maakt een knieval voor mijn naakte peuter. De integraalhelm hangt met de kinbeschermer op zijn voorhoofd. De jongen legt een hand op zijn hart en roept: ‘Wat ben jij mooooi!’ Hij tovert een lolly uit zijn zak.

Mees neemt stralend de dozen en de lolly aan. Nadat ik heb afgerekend bekijk ik de bon. Wat staat daar nou? Dat moet ons adres zijn: 1e Kastefelar. Er staat niet eens een huisnummer bij.

Die bon hangt jarenlang bij ons in de gang. Mocht er eens iets tegenzitten, dan hoeven we maar naar die bon te kijken en dan weten we: alles komt goed.

Amsterdam 2020

‘Amsterdam Flowerrr market!’ Eric manoeuvreert zijn vletje langs de achterkanten van de stalletjes aan de Bloemenmarkt.

Na zestien jaar zijn we toerist in eigen stad. Amsterdam is vanaf het water misschien wel het allermooiste en daarom trakteert onze vriend ons op een boottochtje. We tuffen de grachten door en herkennen plaatsen waar we gestudeerd of gewerkt hebben.

‘Viewpoint nine bridgesss!’ Eric maakt een bocht en wijst op de negen bruggen die achter elkaar te zien zijn. We krijgen bijna een aanvaring met een echte rondvaartboot en schieten in de lach.

Bij de Nieuwmarkt leggen we aan. Ik haal Thais en we eten in de avondzon uit onze bakjes en proosten op onze oude, en nieuwe, woonplaats.

‘Dis is de smallest kennelhouse of de city.’ Eric wijst in het voorbijgaan op een smal grachtenpandje en weer lachen we. Alles komt terug, ook de rondvaarttoer die we vroeger een keer in de stromende regen met onze kinderen hebben gemaakt om ze zoet te houden.

We varen onze nieuwe woning voorbij. ‘Je zult er maar wonen,’ zeggen we ongelovig tegen elkaar.

‘Nog even langs de 1e Kastefelar?’ vraagt Eric en hij koerst al naar de Kostverlorenvaart.

We smelten als we ons oude huisje zien. Maarten slaat een arm om me heen. De schipper maakt een paar foto’s van ons.

Als ik ’s avonds in bed lig, krijg ik een appje van Eric met de foto’s van die middag. Eronder staat: ‘Het lijkt potdomme wel een romantische kennel kroez!’


7 – Moppies

Amsterdam 2004

Ik dacht altijd dat ik een avondmens was, maar tegenwoordig ben ik tegen wil en dank een dauwtrapper.

Al voor zes uur ’s morgens hebben mijn zoontjes er zin in en hoor ik hun gekwetter. Op zaterdag ben ik daarom altijd als een van de eersten op de Lindengrachtmarkt. Met een kind voor en achter op de fiets kan ik dan nog gemakkelijk tussen de stallen door lopen zonder dat ik anderen hinder. De marktlui moeten nog vroeger zijn opgestaan dan ik en ze hebben, net als mijn kinderen, geen ochtendhumeur.

De man van de groentekraam kennen mijn zoontjes wel. Ze noemen hem ‘Ome Wim’. Hij stopt ze altijd een mandarijntje toe en geeft ze een aai over hun bol.

Op een van die voor mij spartaans vroege ochtenden ziet Ome Wim duidelijk dat ik slaap tekort kom. Hij helpt me met de boodschappentassen en pakt het stuur van mijn fiets over, kijkt me recht aan. Zijn uitdrukking is er een van begrip en medelijden. ‘Ja, wat zijn ze vroeg wakker, hè? Die kleintjes.’

Amsterdam 2021

‘Die komt voor ons. Dat zie je, die houdt van bloemen.’ De twee mannen in de bloemenkraam zeggen het zo hard dat ik het wel moet horen.

Inderdaad heb ik bloemen nodig en minder ik daarom vaart, dus ik lach ze toe en roep: ‘Ja, hoor, ik kom voor jullie.’

De mannen wijzen naar de rij fietsen in het rek. ‘Zet de jouwe maar vooraan hoor, die anderen wachten maar effe.’ In werkelijkheid ben ik de enige in de buurt van hun stal. Op deze miezerige zaterdagmiddag is het rustig. Ik zet mijn fiets op slot en kom dichterbij. Mijn oog valt op de lelies en ik pak twee bossen uit de emmer. Een van de mannen komt me bekend voor. Ineens weet ik het: ‘Bent u soms Ome Wim?’

De man kijkt verrast. ‘Dat ben ik. Ik ben Wim. Jou herken ik niet hoor, sorry.’

‘Wat is er met de groente gebeurd?’

Ome Wim wijst naar de tweede man en zegt: ‘Hij had geen goede plek. Ik ben gestopt en heb mijn standplaats aan hem gegeven. Nu zit ik in de bloemen met hem. Wij zijn vrienden.’

Ik vertel dat ik zo’n zeventien jaar geleden altijd groente kwam kopen met mijn zoons toen ze klein waren, dat we naar Noord-Nederland zijn verhuisd en dat we nu weer alle vier in de stad wonen.

‘Dat het je gelukt is om weer terug te komen, ongelooflijk. En wat bijzonder dat je me herkent. Wat een toeval!’

De vriend pakt ondertussen mijn lelies in. Hij doet er een rode roos bij die hij even naar mij opsteekt. ‘Dat moet gevierd worden. Zeventien jaar. Zoiets maak je niet dagelijks mee.’

‘Wat lief.’ Ik reken de lelies af.

De vriend knikt naar Ome Wim en geeft mij een vette knipoog. ‘Hij heeft overal moppies hoor, je wilt niet weten hoeveel.’